Introductie

De wijk is tussen 1920 en 1960 geleidelijk tot stand gekomen, hetgeen herkenbaar is aan de gevarieerde bebouwing. Het gedeelte tussen de Amsterdamseweg en de Hendrik van Borsselenkade ligt op het venige bovenland, de rest is in de polder gebouwd.

Het gedeelte van de wijk van voor 1940 heeft een kleinschalige sfeer en gesloten bouwblokken. Markant voor dit deel zijn de oost-west waterlopen, met formale groene lijnen van voornamelijk boombeplanting en een statig voorkomen. Dit laatste wordt mede veroorzaakt door de rijke architectuur van de – meest forse - woningen met imposante gevels, manifeste kappen en rijke details. Ook de breedte en invulling van sommige straatprofielen zoals het Catharina van Clevepark en de Margaretha van Borsselenlaan dragen bij aan het statige beeld. In de meeste straten verlevendigen straatbomen de sfeer. Bijna alle straten op het bovenland, of ze nu smal of breed zijn, zijn beplant, meestal met berken. Deze soort kan dan ook met recht karakteristiek voor deze buurt genoemd worden.

De bebouwing ten zuiden van de erven van de Margaretha van Borsselenlaan en ten oosten van de Henegouwselaan is van na 1955. De bebouwing van dit naoorlogse deel van Randwijck wordt getypeerd door een sober zakelijk karakter. Er zijn rijen kleinere eengezinshuizen. Het stratenpatroon is in dit deel minder eenduidig dan in het oudere gedeelte van Randwijck, met lussen en doodlopende straten. Hier zijn de straten breder en meestal niet beplant met bomen. Het openbare groen bestaat voornamelijk uit smalle stroken groen langs gevels, paadjes of trottoirs.